“Gelders Warmte Infra Bedrijf verlaagt draagvlakrisico voor warmtenetten”

Nog voor de zomer moet duidelijk zijn wat de risico’s en de haalbaarheid zijn van een Gelders Warmte Infra Bedrijf, GWIB. Met dit bedrijf wil de provincie Gelderland vaart maken met de overschakeling van aardgas naar duurzame warmte. Door de infrastructuur van warmtenetten publiek te maken, wordt een belangrijke hobbel genomen in het opzetten van rendabele warmtenetten. Want hiermee wordt het draagvlakrisico verkleind, vertelt gedeputeerde Jan van der Meer van Provincie Gelderland. Hij breekt daarnaast een lans voor een nationaal Garantiefonds om een ander rendementsrisico van warmtenetprojecten – het vollooprisico – af te dekken. Een interview met de nieuwsbrief van het Warmtenetwerk

Het is de bedoeling dat het Gelders Warmte Infra Bedrijf de transport- en distributienetten van stadsverwarming gaat aanleggen en beheren. De productie en levering van warmte moet van andere, private partijen komen. Van der Meer: “Ik ben jarenlang wethouder van Nijmegen geweest en was zeer nauw betrokken bij het opzetten van het warmtenet in deze stad. Het heeft acht jaar geduurd voordat dit warmtenet er is gekomen. Het probleem hierbij was – net als bij vrijwel alle andere warmtenetten – dat de risico’s die genomen moeten worden voor transport en distributie, niet of met heel veel moeite genomen worden door private partijen. Bovendien vinden afnemers het heel onprettig om met een private monopolist te maken te krijgen.” Met het GWIB moet dat veranderen, stelt Van der Meer.

Tempo te laag
Omdat duurzame warmte in de energietransitie een belangrijke positie inneemt en warmtepompen in heel veel steden en vooral in bestaande bouw niet de oplossing zijn, vormen warmtenetten een belangrijke oplossing in de verduurzaming van de gebouwde omgeving, weet Van der Meer. “Het tempo waarin woningen worden aangesloten op duurzame warmtebronnen is nu te laag. Als overheid kunnen we ervoor zorgen dat ook in de toekomst mensen op een betaalbare manier en onder goede voorwaarden een warm huis hebben zonder gebruik te hoeven maken van Gronings aardgas. Wat bestuurders nu echter ervaren is dat ze bij de opzet van warmtenetten continu in een onderhandelingspositie zitten met private partijen. Terwijl je eigenlijk een partij naast je wilt hebben staan met wie je het project samen uitvoert. Dat willen we dus bereiken met het Gelders Warmte Infra Bedrijf.”

Holding
Zoals het er nu uitziet wordt het GWIB een soort holding, waarin de provincie en Firan – het warmtebedrijf van Alliander – participeren. De holding neemt op verzoek van Gelderse steden en dorpen straks de ontwikkeling van warmtenetten op zich. Dat geldt allereerst voor de gemeenten die nu al meedoen: Arnhem, Wageningen, Apeldoorn, Ede, Lingewaard, Culemborg en Nijmegen. Maar ook andere geïnteresseerde gemeenten kunnen aanhaken. Onder die holding komen dan lokale warmtebedrijven te hangen, waarin ook gemeenten participeren voor de realisatie en exploitatie van de lokale netten. Van der Meer: “Voor het GWIB trekken we uiteraard lering uit eerder opgezette warmtebedrijven, zoals in Rotterdam en Amsterdam. Zo willen we het GWIB verder van de politiek af zetten, want we gaan niet in het bestuur zitten. Bovendien leggen we de levering van warmte bij private partijen. Op deze manier willen we de risico’s spreiden. Die private partijen kunnen de gebruikelijke commerciële energieleveranciers zijn, maar dat kunnen ook lokale energiecoöperaties zijn. En dan wordt het helemaal mooi, want dan is de warmtelevering via warmtenetten helemaal publiek, zeker als dat ook geldt voor de warmtebron.”

Rendement
Het haalbaarheidsonderzoek, dat binnenkort wordt afgerond, zal vooral de financiële risico’s helder maken. Want dat die er zijn, is al bekend. “Willen we echter vaart maken, dan zullen we meer risico’s moeten nemen. Dat is ook de uitkomst van het eerdere onderzoek van de Rekenkamer Oost, die constateerde dat we als provincie Gelderland te risicomijdend zijn geweest. Daardoor hebben we de potentie van warmtenetten nog lang niet voldoende benut. Het GWIB is ook interessant voor de provincie als investeringsmiddel. De verkoop van Nuon destijds heeft de provincie veel geld opgeleverd, maar dit zogeheten stamkapitaal levert momenteel vrijwel geen rendement meer op. Dan is het beter dit te steken in laag renderende investeringen met groot maatschappelijk nut in terreinen waar sprake is van marktfalen. Dat is met grote warmtenetten in feite het geval. Op termijn kan het GWIB de provincie weer nieuw stampkapitaal opleveren. Als we in 1905 net zo risicomijdend waren als nu, was de voorganger van Nuon, de PGEM, ook nooit opgericht en hadden we nu niet het geld waarmee we zoveel goede dingen doen.”

Vollooprisico
Van der Meer breekt tot slot nog een lans voor een oplossing van het zogeheten vollooprisico, het risico dat ontstaat als de vraag naar warmte achterblijft op de verwachte afzet zoals werd aangenomen op het moment van het investeringsbesluit. “Dit doet zich overal voor als warmtenetten worden opgericht en dit wordt verdisconteerd in het rendement of in de subsidie. Maar dat vollooprisico zal zich nooit in volle omvang tegelijkertijd overal in Nederland voordoen. Dus de Rijksoverheid zou er goed aan doen een landelijk Garantiefonds op te richten van waaruit warmtenetten het vollooprisico kunnen afdekken als deze zich ergens voordoet. Op deze manier worden de businesscases overal ontlast voor de opslag op het rendement voor het vollooprisico.”

Dit wordt ook onderschreven door Marjolein Dieperink van AKD Advocaten en Caspar Boendermaker van BNG Bank, die eind vorig jaar een discussion paper hebben geschreven over de herijking van de Warmtewet. “Zij adviseren in dit stuk draagvlakrisico, volloop- en bronrisico bij warmteprojecten in te perken. Dat kan door regionale infrabedrijven op te richten; dat gaan we dus doen. En als tweede wordt het oprichten van een Garantiefonds aangeraden.” Volgens Van der Meer zou dit meegenomen moeten worden bij de herijking van de Warmtewet. “Wij hebben dit onder de aandacht gebracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het is aan het nieuwe kabinet om dit na de verkiezingen op te pakken”, besluit Van der Meer.